1. Freiburg i.B., 27 mei 1933

1
 
Freiburg im Breisgau, 27 mei 1933:
 
Martin Heidegger, Rektoratsrede

"Die Selbstbehauptung der deutschen Universität”

 
 
 
 
                                     Omslag eerste druk, 1933
 
 
 
 
Zaterdagochtend 27 mei 1933, een lentedag in het Rijndal.

Vanuit geheel Duitsland zijn hoogleraren, docenten, studenten, Parteigenossen, verslaggevers en belangstellende burgers op weg gegaan naar de Albert Ludwigs-Universiteit in het provinciestadje aan de voet van het Zwarte Woud. De spanning in de feestelijke hoorzaal groeit; er staat iets belangrijks te gebeuren: misschien wel de grootste denker van die tijd zal nu, enkele maanden na de politieke omwenteling, zijn met spanning verwachte rede uitspreken als de nieuwe rector van de Freiburgse universiteit.

Een plechtige stilte heerst na het wegklinken van de laatste tonen van Brahms Akademische Fest-Ouvertüre waarmee het Stadttheater-Orchester de bijeenkomst om elf uur heeft geopend1. De aftredende rector, de katholieke prelaat dr. Joseph Sauer2 opent met een terugblik op het afgelopen universiteitsjaar dat, -in zijn eigen woorden-, ook het einde betekent van een tijdperk van vervakking en achteruitgangen3 een nieuwe tijd aankondigt waar men niet aan kan ontkomen4. Na zijn toespraak draagt Sauer de rectoraatsketting over aan Heidegger en wenst hem veel geluk en zegen toe.

Daarna betreedt Martin Heidegger het spreekgestoelte.

Even kijkt hij rond in het auditorium maximum, de grote met vaandels versierde hoorzaal. Hij ziet de toehoorders, een aantal in het bruine uniform van de SA, ontwaart op de eerste rij hoogwaardigheidsbekleders als de aartsbisschopen5 de Oberbürgemeister6 van Freiburg, vertegenwoordigers van de landsregering in Karlsruhe7, collega-rectoren van andere universiteiten8, vele studenten en een aantal verslaggevers. Niets heeft Heidegger nagelaten om zijn eerste officiële optreden als rector op grootse wijze te doen plaatsvinden. Hij bemerkt de spanning onder de wachtenden en knikt nog even bijna onmerkbaar naar zijn vrouw Elfride die met hun beide zonen vooraan zit.

Daar staat hij dan, misschien wel de bekendste filosoof van het nieuwe Duitsland, dé grote wijsgeer van dat ogenblik, "der heimliche König” 9 van de Duitse filosofie, de intellectuele leider van het "Nieuwe Denken”10  de internationaal beroemde schrijver van de veelgeprezen studie Sein und Zeit.
Daar staat hij dan, aan het begin van een plechtigheid die mede door hemzelf op deze triomfantelijke wijze is opgezet. Naast de vaandels van de studentenverenigingen versieren nu ook hakenkruisvlaggen en vaandels van SA-afdelingen de zaal; het lijkt wel een nieuw soort nationale feestdag.
Daar staat hij dan, gehuld in de met hermelijn afgezette rectorstoga, klein, 43 jaar, beginnende Geheimratsecken, zwartharig, "alemannisch”, een gebruind gezicht met het voor die tijd zo typerende snorretje.
Daar staat hij dan, misschien wel de meest veelzijdige geleerde van zijn tijd: niet alleen gedegen kenner van de oud-Griekse denkers ("presocratici”/Vorsokratiker), Plato, Aristoteles en overige antieke literatuur, nieuwtestamentische, patristische en scholastische geschriften, middeleeuwse mystiek, Luther en Nietzsche, om maar te zwijgen van de modernere stromingen in de filosofie sinds Verlichting en Romantiek, maar daarnaast ook ijverig belangstellend in het wezen van zowel kunst (bijv. poëzie, en dan speciaal Hölderlin) als techniek11.
Daar staat hij dan, de wijsgeer die al aan het begin van zijn loopbaan zeer vastbesloten had verkondigd dat hij op zijn minst "iets anders” wilde dan de traditionele academische filosofie12.

Er leeft spanning in de zaal.

Op het laatste ogenblik is tot Heideggers teleurstelling een rechtstreekse radiouitzending van de rede, waarvoor enkele van Heideggers collega's13 en met name de plaatselijke NSDAP-afdelingen zich om propaganda-redenen hadden ingespannen, door de Rijkscommissaris voor Baden14 zonder nadere verklaring tegen gehouden15. Hoe graag hadden zij via de ether vol trots willen laten horen hoe juist in Freiburg de universiteit zich op de "nieuwe staat” instelt.

Wat zal Heidegger gaan zeggen?

Vooral de politiek geïnteresseerden zijn vol verwachting. Was hij immers niet kortgeleden zeer demonstratief op 1 mei, de nieuw uitgeroepen nationale feestdag, de Tag der nationalen Arbeit, toegetreden tot de NSDAP16, lidnummer 3125894. Had hij niet al op 27 april docenten en studenten opgeroepen deel te nemen aan een manifestatie ter gelegenheid van die nieuwe feestdag om zodoende een bijdrage te leveren aan een nieuwe "geistige” wereld voor het Duitse volk? En had hij niet nog de dag tevoren, 26 mei, op de trappen voor de hoofdingang van de universiteit een schare van duizend studenten hartstochtelijk toegesproken in het kader van de herdenking van Albert Leo Schlageter17, de vroegere Freiburg-student die precies tien jaar eerder als vrijheidsstrijder in het Rijnland door de Franse bezettingstroepen was geëxecuteerd?

En de anderen, degenen die meer belangstelling hebben voor Heideggers opvattingen over aard en doel van een academische studie, wat verwachten zij?

Zijn collega's aan de universiteit die hem nu ruim een maand eerder vrijwel eenstemmig18 als rector hebben gekozen, hoe benieuwd zijn zij naar zijn opvattingen over taak en wezen van de universiteit in deze nieuwe tijd, in een land dat zich nog in een fase van totale omwenteling bevindt?

En niet te vergeten de studenten, de jongelui die de laatste jaren in groten getale naar zijn colleges komen, geboeid door de bijna betoverende manier waarop hij hen met het uitspreken van zijn gedachten meesleept op de weg van zijn denken en hen de kans geeft zelf ook mee te denken? En dat niet alleen sinds hij in Freiburg als hoogleraar is benoemd (1928) op de internationaal beroemde leerstoel voor algemene filosofie als opvolger van zijn leermeester Edmund Husserl. Al vanaf Heideggers benoeming als assistent/docent in Freiburg (1915) volgen studenten hem naar Marburg (1923) en tenslotte terug naar zijn "alma mater” in Freiburg.

Wat was het geheim van zijn populariteit?

Leerlingen loven hem als een echte leermeester die zijn studenten aanzet tot het zelf overdenken van wijsgerige teksten en die te gebruiken als aanzet voor eígen denken om zo "waarheid” aan het licht te brengen, een proces van het onthullen van het wezenlijke. Het gaat Heidegger er niet om feitenkennis bij de studenten over te brengen of die te vermeerderen, hij dwingt hen tot zelf denken vanuit de eigen omstandigheden, vanuit de eigen tijd met die verwerpelijke overheersende cultuur die de mens in Seinsverlassenheit stort, de mens overlevert aan de waan van de dag en hem op die manier wegvoert van zijn ware wezen. Vandaar ook Heideggers bittere kritiek op de voormalige Weimar-Republiek met de volkomen falende partijenpolitiek, op christendom, marxisme, internationalisme, kapitalisme, liberalisme en democratie.

Voor Heidegger is "denken” ook, of vooral, het opnieuw over-denken van datgene wat andere filosofen hebben gedacht en uitgesproken. Denken is voor hem het dankbaar openstaan voor "waarheid” die via hun geschriften tot hem zou kunnen komen en dat gebeurt dan in een soort open gesprek met het eerder verwoorde, het eerder gesprokene. Heidegger was daarbij onder collega's beroemd/berucht was om zijn zeer persoonlijke, letterlijk eigen-wijze vertaling en interpretatie van met name oud-Griekse teksten, maar juist die eigen-zinnigheid sprak de studenten aan, zeker omdat ook zij in de werkgroepen die kans tot eigen verder-denken ruimschoots kregen. Had hij hen en de hele wijsgerige wereld met zijn Antrittsrede in Freiburg (1929) niet verbijsterd met de wezenlijke vraag: Warum ist überhaupt Seiendes und nicht vielmehr Nichts?19

Had hij al niet eerder vele malen uitgesproken dat sinds Plato en Aristoteles de vraag naar het wezen van het Zijn verloren was gegaan en dat daardoor de hele filosofie en zeker de metafysica op een dwaalweg terecht was gekomen? Daardoor word die wezenlijke vraag niet meer gesteld, is zodanig in vergetelheid, Seinsvergessenheit geraakt dat nu Seinsverlassenheit het echte denken verduistert. Niet langer moet het uitgangspunt zijn de zichtbare wereld van de Seienden te begríjpen, want dat is een manipulerende constructie van de wil, de leugen en de rationaliteit, zoals Heidegger met Nietzsche meent.20 Daarentegen moet een uiterste poging worden gedaan vertrouwd te raken met het Zijn als Geschick, als waarheid die tot de mens vanuit het Niets wordt toegezonden. Vandaar de hoge plaats die de mens als Dasein, als "daar-Zijn”, kan innemen wanneer hij zich voor dat waarheidsgebeuren openstelt. Dat geldt ook voor de studerenden!

Dat hij daarbij ook nog met groepjes leerlingen skitochten maakt op de hellingen van zijn geliefde Schwarzwald en af en toe in de collegezaal verschijnt in een soort volksdracht met korte leren kniebroek, vermeerdert zeker zijn populariteit, maar zorgt er ook voor dat hij een uitzonderlijk figuur is temidden van de in zwarte Amtsrock geklede collega's. Vanuit die gebondenheid aan zijn Heimat wordt Heidegger meer geïnspireerd dan door het universiteitsgebeuren. Zo schrijft hij vanuit zijn Hütte in Todtnauberg aan Jaspers dat hij de boeren daar op de hellingen van het Zwarte Woud interessanter en aangenamer vindt dan de hoogleraren.21
 
Terug naar Freiburg, 27 mei 1933:

Alleen al door de titel van zijn aangekondigde aanvaardingsrede, Die Selbstbehauptung der deutschen Universität, worden docenten en studenten aangesproken. Wat bedoelt Heidegger daarmee, met die Selbstbehauptung? Op welke manier kan de universiteit zichzelf handhaven, zichzelf staande houden, zichzelf bevestigen in het geweld van deze revolutionaire tijd, in de storm van deze politieke en maatschappelijke omwenteling?

Dan neemt Heidegger het woord en hij doet dat op een manier zoals zijn studenten hem kennen: de taalgeweldenaar die een groot deel van de toehoorders als het ware betovert met zijn bevlogen pleidooi voor een ánder wijze van werken binnen de universiteit, ánders omdat deze níeuwe tijd ook, of misschien zelfs in het bijzonder, aan de academische wereld geheel ándere eisen stelt.

 Begin van de RR
 
Wat brengt Heidegger in zijn rede op hoofdlijnen ter sprake?
Laten we proberen in Heideggers woorden de kern van zijn betoog weer te geven22:

Uit het overnemen van het rectoraat vloeit de verplichting voort tot intellectuele leiding (geistigen Führung) van deze universiteit. Alleen een echte worteling vanuit het wezen van de Duitse universiteit versterkt de gemeenschap van docenten en studenten. Maar de Führer zelf wordt ook geleid, namelijk door de lotsbeschikking (Schicksal) die ook het Duitse volk zijn geschiedenis oplegt.

Is deze academische gemeenschap wel echt in dat wezen van de universiteit geworteld? Juist het zelfbestuur geeft de mogelijkheid tot bezinning op dat wezen van de universiteit en dat houdt in dat wij ook eerst onszelf moeten verplichten tot indringende zelfbezinning. (p.9)
Zelfbestuur kan alleen op grond van zelfbezinning en die komt enkel tot stand als de universiteit zichzelf ook wil behaupten, en wel als hogeschool die de leiders en hoeders van de lotsbestemming van het Duitse volk opleidt. Echte wetenschap en Duitse lotsbeschikking horen bij elkaar, en dat is een andere wetenschap dan die van de laatste tientallen jaren. (p.10)
Het wezen van die echte wetenschap kunnen we alleen vinden als we teruggaan naar het begin van ons bestaan, van ons denken, en dat vinden we in het ontwaken, het op-weg-gaan, de Aufbruch der griechischen Philosophie. Daar plaatst de mens zich voor het eerst, vanuit zijn Volkstum (volksaard) en dankzij zijn taal, tegenover het Seiende im Ganzen, het zijnde als geheel; de mens stelt vragen en begrijpt daardoor tenslotte het Seiende als datgene wat ís. Daarom is echte wetenschap ook filosofie, want vanuit dat wijsgerige uitgangspunt put zij haar kracht. (p.11)
Daarbij is het besef van belang, -zoals Aischylos in een spreuk Prometheus laat zeggen-, dat de overmacht van de lotsbestemming sterker is dan welk feitelijk weten dan ook. (technè d’anankès asthenestera makhrooi)

Bij de oude Grieken was de theoría niet enkel het weten van feiten, maar de hartstochtelijke wens om in de nabijheid van het wezen der dingen te komen; het was ook de wíl om te weten, te doorschouwen. Dit aandachtig bevragen beschouwden zij als het hoogtepunt van de energeia, van het aan-het-werk-zijn van de mens. Voor de Grieken was wetenschap niet zomaar een kultuurgoed, maar het centrum van het volklich-staatlichen Dasein. (p.12). Wetenschap is het vragend standhouden temidden van het zich steeds weer verbergende Seiende.
Maar het christelijk-theologische en het latere mathematisch-technische denken heeft de wetenschap weggevoerd van dat oorspronkelijke (Griekse) begin. Toch is dat begin daardoor niet echt verloren gegaan; dat grootse begin ligt er nog steeds, niet alleen áchter ons als iets dat lang geleden is geweest, maar als iets dat ook vóór ons staat. Dat oorspronkelijke begin werkt door in onze toekomst, staat als lotsbeschikking bóven ons om het in al zijn grootsheid weer naar ons toe te halen.
Alleen als wij ons daarnaar voegen, dan pas wordt wetenschap weer de innerste Notwendigkeit van het bestaan. In het andere geval blijft wetenschap slechts toeval of het behaaglijk vertoeven in het ongevaarlijke bezig zijn met het bevorderen van louter kennis. Maar vanuit het oorspronkelijk denken wordt wetenschap tot Grundgeschehnis voor ons geistig-volklichen Dasein. Zeker nu ons bestaan zo verandert, na Nietzsche's uitspraak Gott ist tot, nu de mens in zijn verlatenheid is achtergebleven, hoe staat het dan nú met de wetenschap?
De échte, oorspronkelijke wetenschap ontvouwt op eigen kracht het wezenlijke, herstelt de in afzonderlijke vakken uit elkaar gevallen wetenschap tot een eenheid en brengt haar terug op de vruchtbare bodem van het menschlich-geschichtliche Dasein. Die bodem wordt gevormd door: natuur, geschiedenis, taal; volk, zeden, staat; dichten, denken, geloven; ziekte, waanzin, dood; recht, economie en techniek. (p.13)
Een volk komt tot zijn waarachtige geistige wereld door dat oorspronkelijke vragen. Die geistige Welt bestaat niet uit de bovenbouw van de kultuur, maar zij wordt wezenlijk gevormd door het zorgzaam bewaren van die oorspronkelijke, erd- und bluthaften, krachten van waaruit wij dienen te denken. Alleen een dergelijke geistige Welt kan een volk zijn groot(s)heid geven, want zij dwingt een volk voortdurend te kiezen tussen de wil tot die Gröβe, of het laten gebeuren van het verval, en zij geeft op die manier een marsbevel (Schrittgesetz) voor ons volk op weg naar zijn toekomstige geschiedenis.
Als wij dit wezen van de wetenschap inderdaad willen, dan vervullen de docenten een belangrijke taak: zij dienen dat oorspronkelijke vragen te leiden vanuit het besef dat soms de kracht van het alleen-op-weg-gaan nodig is om het allerbeste te bereiken. Maar de Duitse studenten hoeven daartoe niet opgewekt te worden: ze zijn al op die weg op mars! (p.14)
Nu al doordringt die vastbeslotenheid van de studenten ten opzichte van de lotsbeschikking de universiteit. De verouderde, veelbezongen zogeheten "academische vrijheid” wordt verbannen, want zij is onecht, ontkent het ware karakter van de wetenschap en leidt tot onverschilligheid tegenover de werkelijke problemen.
Uit dat nieuwe begrip van de échte academische vrijheid vloeien bindingen en dienstbaarheid van de Duitse studenten voort.

-De eerste binding is die in de volksgemeenschap en bestaat uit de verplichting zich voor alle rangen en standen in te zetten. Dit geschiedt in de Arbeitsdienst.

-De tweede binding ligt in de eer en de lotsbestemming van deze natie temidden van de andere volkeren, eist tucht en inzet tot het uiterste, en dat geschiedt in de Wehrdienst.

-De derde binding is die aan de geistige opdracht van het Duitse volk, namelijk te strijden voor die geestelijke, intellectuele lotsbestemming. Deze eist de grootst mogelijke duidelijkheid en ook de grootst mogelijke rijkdom van het weten. Dat gebeurt in de Wissensdienst. (p.15)

Deze drie bindingen zijn even noodzakelijk en daarom van gelijke rangorde.
Dit actief werken in de drie diensten geeft het wezen van de Duitse universiteit aan, namelijk opleiding en kweekschool voor de leiders en behoeders (Führer und Behüter) van de lotsbestemming van het Duitse volk. (p.16)
Faculteiten en vakgroepen moeten werken binnen de grenzen van die nieuwe wetenschap zodat de verouderde strenge afbakening tussen de vakken verdwijnt. Wetenschappelijke vragen moeten worden gesteld vanuit het besef bij álle docenten en studenten van de uiteindelijke noodzakelijkheden en benarde omstandigheden van het volklich-staatliche bestaan. (p.17)
En dat is geen eenvoudige opgave! Als de oude Grieken er drie eeuwen voor nodig hadden om enkel te komen tot de vraag van wat weten ís, dan moeten wij niet denken dat probleem in enkele semesters op te lossen. Maar wel staat vast dat die nieuwe Duitse universiteit pas dan zich kan ontwikkelen als die drie diensten (Arbeits-, Wehr-, Wissensdienst) zich bundelen tot een allesbepalende kracht.
Docenten en studenten hebben daarbij hun eigen belangrijke taak, elke groep moet stríjden om zijn taak te volbrengen: al het vermogen wat wil en denken betreft moet dóor strijd ontplooid, ín strijd opgevoerd en áls strijd bewaard blijven. Deze strijdgemeenschap (Kampfgemeinschaft) van docenten en studenten kan dat doel alleen bereiken als deze twee groepen nog harder en bedürfnisloser dan andere volksgenoten hun bestaan daarnaar richten, zowel wat leiden betreft als wat volgen betreft, ieder met eigen verantwoordelijkheden. Op die manier wordt de Duitse universiteit een plaats van geistige Gesetzgebung met als hoogste doel de Dienst am Volke. (p.18)
Die strijd om de Selbstbehauptung door middel van de Selbstbesinnung zal tenslotte de universiteit de macht geven tot een echte Selbstverwaltung.
Wijzelf moeten bepalen of wij dit wezen van de universiteit willen, wijzelf hebben in handen of de intellectuele kracht van het avondland tekort schiet, of de afgeleefde schijnkultuur (abgelebte Scheinkultur) in elkaar stort en verwarring en waanzin de ware kracht verstikt! Of dat gebeurt hangt er alleen van af of wij als volk dat willen, en daarbij beslist ieder afzonderlijk, ook, -of juist dan-, wanneer men die beslissing ontwijkt.
Maar wij wíllen dat ons volk zijn historische opdracht vervult. Wij wíllen onszélf, want intussen heeft de nieuwste en jongste kracht die om ons heen grijpt, daarover al beslist.
 
De pracht (Herrlichkeit) en de grootsheid (Gröβe) van deze Aufbruch (op-weg-gaan) begrijpen wij echter pas werkelijk wanneer wij die diepe Griekse wijsheid in ons dragen die uit de volgende woorden van Plato spreekt:
                                    tamegala panta episjalh 23
                                     "Alles Groβe steht im Sturm...”
 
 
 Slot van de RR
 
Na deze laatste woorden laat Heidegger zijn ogen kort rusten op zijn vrouw Elfride en zijn twee zonen Jörg en Hermann24. Dan treedt hij weg van het spreekgestoelte.

Hoe is de reactie in de grote hoorzaal na deze, op een aantal onderdelen wat inhoud, sfeer en taalgebruik betreft, voor velen toch wel revolutionaire redevoering? Revolutionair op de eerste plaats niet eens wegens de politieke geladenheid, want wanneer we zijn uitspraken vergelijken met de rectoraatsredes van zijn collega's Alfred Baeumler (Berlijn) en Ernst Krieck (Heidelberg) eerder die maand, dan klinken Heideggers woorden politiek vrij onschuldig. Omwentelend en vernieuwend is bovenal Heideggers opzet om te breken met het traditionele systeem van de Humboldt-Universität en daardoor in de plaats een Führer-geleid arbeids- en opleidingsstelsel propageert, een strijdbaar samenwerkingsverband van docenten en studenten, om op die wijze in dieser großen Zeit een wezenlijke bijdrage te leveren aan de opbouw van het Nieuwe Duitsland.

Men kan ervan uitgaan dat vooral de studenten (- in overgrote meerderheid lid van de Nationalsozialistische Studentenschaft-) erg geestdriftig zijn: daar sprak de leider die hen op weg helpt naar dat nieuwe denken, die hun inspiratie geeft in hun nieuwe nationale en sociale idealen. Hij stelt hen een tot dan toe ongekende inspraak en medezeggenschap in het vooruitzicht als hij zijn verbondenheid met hen uitspreekt in de omschrijving van de universiteit als een Kampfgemeinschaft der Lehrer und Schüler. Daarbij moet Kampf volgens Heidegger gezien worden zoals in het begrip polemos (polemos) bij Herakleitos: een strijd, een gemeenschappelijke "Aus-einander-setzung”, die "de vader van alles”25  is. Door die strijd kan de waarheid zich onthullen.

Zo lijkt hij voor hen de Führer te zijn en zien zij zichzelf als de stoottroepen in de storm van de nieuwe beweging.

Voor veel van Heideggers collega's, -en zeker de bezetters van een eigen leerstoel (Ordinarienuniversität)-, zal de rede daarentegen niet veel goeds betekenen, omdat daarin toch het einde van het academisch hokjes-denken en handelen, het einde van de almacht van de "leerstoel”, het einde van de zogeheten Humboldt-universität wordt aangekondigd.

De hogere funktionarissen van de NSDAP die in uniform aanwezig zijn, zullen enige teleurstelling moeten verbijten: Heidegger heeft wel lovend gesproken over de uitdagingen van de nieuwe tijd, maar hij heeft Hitler en zijn partij niet genoemd, heeft niet gesproken over wetenschap in dienst van een bepaalde politiek; er is geen sprake geweest van politische Wissenschaft, er is niet verwezen naar ras en zuiverheid, en in plaats van de oude Germaanse cultuur naar voren te halen heeft hij het oude Griekse denken benadrukt! Was dat een eigen soort Freiburgs volks nationaalsocialisme dat uit die woorden sprak? De Parteigenossen hebben ongemakkelijk op hun stoelen zitten draaien.

En wat te denken van die eigenzinnige Plato-vertaling aan het slot van de rede? De Altphilologen zullen hun tenen gekromd hebben bij wat de meesten, en in elk geval de partijkameraden, zien als een onverhulde verwijzing naar de Sturm van de nieuwe tijd.

Daarna zingen alle aanwezigen het Deutschlandlied.

Er volgt nog een korte gedreven toespraak door de studentenleider26, waarin benadrukt wordt dat de studenten volledig achter Heidegger staan en nu zeker in de strijd tegen het liberalisme en bolsjewisme, en dat zij bereid zijn de opdrachten van Führer en Volk uit te voeren27.

Dan wordt de plechtigheid afgesloten met het gezamenlijk zingen van het lijflied van de SA, de Hymne auf der Märtyrer der Sturmabteilungen, beter bekend als het Horst Wessellied, dat in feite als het semi-officiële volkslied van het Nieuwe Duitsland geldt ("Die Fahnen hoch, die Reihen fest geschlossen”). Tijdens het zingen van de vierde strofe heft men de rechterhand voor de "Duitse groet” waarmee, -volgens een rondschrijven van Heidegger enkele dagen eerder-, niet de verbondenheid met de nationaal-socialistische partij, maar met de "nationale Erhebung”, de nationale zelfverheffing, moest worden uitgedrukt.28
Na het spelen van Wagners Huldigingmars stroomt de zaal leeg.

Veel is er al gezegd en geschreven over het vraagstuk hoe het toch mogelijk is geweest dat een groot denker als Heidegger die zich tot dan toe, voorjaar 1933, -in elk geval in de ogen van velen in de buitenwereld en ook volgens hemzelf29-, op geen enkele manier met (praktische) politiek had bezig gehouden, tijdelijk(?) verstrikt raakte in het netwerk van actief politiek handelen en zo misschien bezweek voor de verlokkingen van de macht.

Was het niet veeleer zo dat na de machtsovername door Hitler januari 1933 er in elk geval het eerste jaar geen uitgewerkt universiteitsconcept vanuit het Bildungsministerie in Berlijn werd aangeboden of opgelegd, en dat daardoor hoogleraren als Alfred Baeumler (Berlijn), Ernst Krieck (Heidelberg) en ook Martin Heidegger die kans aangrepen om hún opvattingen over opbouw en taak van de universiteit in dat nieuwe tijdperk van de Nationale Erhebung niet alleen te verkondigen, maar ook daadwerkelijk een tijdlang proberen te verwerkelijken. Meenden zij misschien dat zich voor hen de mogelijkheid voordeed wat de Bildungspolitik betreft zelfs de grote Führer Adolf Hitler zu führen?

Daarbij speelde ook dat de nogal autonome ministeries in de verschillende Länder nog een tijdlang eigen opvattingen konden hebben over hoe er gehandeld diende te worden. Zo stond de nieuwe nationaalsocialistische Badische landsregering aan de Freiburgse universiteit al het Führungsprinzip toe terwijl dat officieel vanuit de rijksregering in Berlijn nog niet was opgelegd, -iets waar Heidegger dankbaar gebruik van maakte: hij was daardoor rector van de eerste Führer-geleide universiteit in het nieuwe Duitsland!

Heel wat vragen kunnen aan de orde worden gesteld als het gaat om Heideggers betrokkenheid, maar het meest omstreden blijft het antwoord op de vraag of Heideggers engagement, zijn inzet voor de nieuwe idealen van de "Volkse Beweging”, van de Nationale Erhebung, noodzakelijkerwijs uit zijn eerdere denken voortvloeit, of als een tijdelijke oprisping, een "vergissing” in een chaotisch-geestdriftige tijd moet worden beschouwd.

Het volgende is daarbij nog te overwegen:

Als wij de geschriften en de redevoeringen van hoogleraren als Martin Heidegger, Alfred Baeumler, Ernst Krieck, Carl Schmitt, Arnold Gehlen, Hans Heyse en Erich Rothacker uit die begintijd rond 1933/1934 bestuderen, uitingen die getuigen van een sterk geloof in de Nieuwe Beweging, een soort nieuwe Heilserwartung, dan is te zien hoe zij ieder op hun manier daadwerkelijke Arbeit wilden verrichten bij de opbouw van dat Nieuwe Duitsland. Zo is de Kampfgemeinschaft van docenten en studenten voor Heidegger in wezen dan ook een Arbeitsgemeenschap waarin hij als rector de Führerarbeit verrricht en daarmee de grote lijnen uitzet als een hoge dienaar van de volksgemeenschap. Die Dienst am Volke30 is de hoogste opdracht en eist een totale inzet ten behoeve van de Herrlichkeit en de Größe van dit nieuwe begin, van deze lotsbeschikking.

Voor Martin Heidegger, -die grote belangstelling had voor architectuur, bouwen en wonen-, zou daarnaast, of misschien wel onbewust, kunnen gelden dat hij ernstig geloofde met zijn Arbeit een bijdrage te leveren aan de bouw van een groot kunstwerk (het "Nieuwe Duitsland”), daarbij aansluitend bij het oud-Griekse denken dat techne (arbeid, handvaardigheid) en kunst samenvallen. Zag hij het ontstaan van het Nieuwe Duitsland, van die nieuwe heilsstaat, als een Seinsgeschehen, een noodzakelijk geschieden vanuit de lotsbestemming van het Duitse volk, als een onontkoombaar Ereignis, zeker voor hemzelf. Beschouwde hij in die dagen dan ook dat Nieuwe Rijk als de woning waarin het Schicksal van het Duitse volk zich voltrok?

Hoe dan ook:

Wanneer wij nú spreken over Heideggers Rektoratsrede en de gedachten daarin opnieuw over-denken, dan gebeurt dat ook vanuit déze tijd, en niet vanuit de situatie 1933, en dat betekent dus vanzelfsprekend dat wij ook op onze eigen manier proberen de kern, de waarheid vanuit die tekst tot ons te laten komen. Daarbij is het onvermijdelijk dat de rampzalige ontwikkeling van de "volkse” Duitse revolutie en het nationaal-socialisme ná 1934 diepe voren in ons denklandschap heeft getrokken. Daardoor is, en zal het niet eenvoudig zijn Heideggers denken, schrijven, doceren en handelen in en rond 1933/1934 in het juiste historische licht te plaatsen. Misschien is het zelfs onmogelijk. Maar een poging om een beeld van de werkelijke Heidegger, en dus ook van zijn denken rond die tijd te krijgen, kan alleen gebeuren door een voortdurend vragen en bevragen.

Heideggers rede is ook, of misschien op de eerste plaats, een wijsgerige tekst en daardoor zullen deze en andere, nieuwe vragen steeds weer blijven komen, en steeds weer zullen die ons uitdagen tot het opnieuw overdenken van het wezenlijke in Heideggers Rektoratsrede.

                                                                                          [basistekst 2004, laatste bewerking 2010]



1. Feitelijke documentatie van de bijeenkomst in Programm der Feier vom 27. Mai 1933, Universitätsarchiv Freiburg UAF II, 1-32. Hierover bv. ook Schneeberger, 49-58 en Martin, 3

2. Joseph Sauer (1872-1949), Päpstlicher Hausprälat, hoogleraar Christelijke Archeologie en Kunstgeschiedenis. Rector in Freiburg 1932-1933 (Brfw. H/Jaspers, 256)

3. Verflachung und Verelendung ( Schneeberger,50)

4. kein Zurück und Ausweichen; ibidem

5. Dr. Conrad Gröber (1872-1948). Evenals Heidegger geboren in Meβkirch. Vanaf 1932 tot aan zijn dood aartsbisschop van Freiburg. Als rector van het Konradi Haus in Konstanz had hij de toenmalige leerling Heidegger warm gemaakt voor de filosofie. Gröber heeft Heidegger steeds gestimuleerd en geholpen. Volgens Max Müller heeft Heidegger Gröber als ein Vaterfigur verehrt. (Martin, 112, 117). In beginfase Hitler-aanhanger ("Brauner Conrad”), steunend lid van de SS, maar na 1935 tegenstander i.v.m. schoolstrijd en euthanesieprogramma.
In de laatste bewaard gebleven brief enkele dagen voor zijn dood verwijst Heidegger nog naar Gröber: GA 13, 243.
 
6. Franz Kerber (1901-1945). Sinds 1930 lid van de NSDAP, 1933 van de SS, bevorderd tot Obersturmbannführer. Hij was de drijvende kracht (Hauptschriftleiter) achter het NS-orgaan "Der Alemanne”, Kampfblatt der nationalsozialisten Oberbadens . Kerber werd door Heidegger persoonlijk uitgenodigd vormittags 11 Uhr pünktlich , vergezeld van het verzoek om na de plechtigheid als unser Ehrengast aan een gemeinsames einfaches Essen im Hotel Kopf deel te nemen (GA16, 102)
Kort tevoren (10 april) was Kerber door de Badense Reichskommissar Wagner als OB aangesteld, en hij bleef dat tot in 1945. In juni van dat jaar stierf hij onder mysteriösen Umständen. (Martin, 23, 46)

7. Kultusminister Wacker en minister Pflaumen van Binnenlanse Zaken.

8. O.a. Karlsruhe en Heidelberg

9. Naar de woorden van Hannah Arendt, uitgesproken ter gelegenheid van Heideggers 80e verjaardag (Vgl. Neske (hrg.) ,Antwort, 233)

10. …der geistige Führer des zeitgenössischen Denkens, volgens Der Alemanne 03.05.33 (Schneeberger, 24)

11. Reeds als student volgde hij o.a. colleges wiskunde, differentiaal en integraal rekenen, had later blijvende belangstelling voor Grundlageforschung , atoomwetenschap (vriendschap met Werner Heisenberg) en publiceerde tot het eind van zijn leven over het wezen van de techniek

12. J. Busche in: Martin Heidegger, Fragen an sein Werk, 6

13. Met name Wolfgang Aly (1881-1962). Klassiek filoloog, docent vanaf 1908, buitengewoon hoogleraar 1914, 1928 lector Oude Talen, 1934 leeropdracht Filologische Wetenschap, 1936 hoogleraar Griekse en Latijnse Filologie. Hij was het oudste NSDAP-lid (nr. 837972, sinds 01.12.1931) binnen het docentencorps. Vanaf april 1933 lid van de Nationalsozialistische Lehrerbund. In 1934 aangesloten bij Reserve SA. December 1934 Schulungssprecher der Parteiorganisation. Wolfgang Aly werd 1945 als hoogleraar ontslagen. (Martin, 114 nt. 28, 166 nt. 1)

14. Robert Wagner (1895-1946) Sinds maart 1925 Gauleiter NSDAP in Baden. Van 1929 tot 1933 lid van de Landtag. Na verkiezingsoverwinning maart 1933 benoemd tot Reichskommissar voor Baden. Heidegger stuurde Wagner een gelukstelegram bij zijn benoeming (GA16, 99)

15. Wolfgang Aly had Heidegger per brief d.d. 26 mei 1933 van Wagners besluit op de hoogte gesteld (Martin, 167). Aly betreurt deze beslissing ten zeerste, juist omdat "morgen” (27 mei) door middel van de Rektoratsrede (…..) die deutsche Universität sich öffentlich in den neuen Staat hineinstellt. Wir sind stolz, daβ dies gerade in Freiburg den Fall sein wird.

16. Het intredeformulier d.d. 3 mei, maar het Rückdatierung ingangsdatum naar 1 mei (GA16, 826). Hierover ook Heideggers brief aan zijn jongere broer Fritz (1894-1980) d.d. 4 mei (GA16, 93). In een vragenformulier schrijft hij later ( 8 maart 1936) dat hij Mitglied der NSDAP seit 30. April 1933 nach besondere Aufforderung durch die Kreisleitung Freiburg is geworden. In Bundesarchiv Berlin is onder Eingetragen de datum 01.05.33 afgestempeld. (GA16, 788). Ook Heidegers vrouw Elfride Petri meldde zich op dezelfde dag als NSDAP-lid aan. (Lidnr. 4461085)

17. Gedenkworte zu Schlageter (GA16, 759).

18. Op 21 april door de Grote Senaat van de Universiteit: 52 van de 55 stemmen (waarbij drie onthoudingen).

19. Was ist Metaphysik? (Bonn, 1929) Ook in GA9

20. J. Busche, M.H. Fragen an sein Werk, .

 21. Brief van 23.09.25: Hier oben ist es herrlich –am liebsten bliebe ich gleich bis zum Frühjahr hier oben bei der Arbeit. Nach der Gesellschaft der Professoren habe ich kein Verlangen. Die Bauern sind viel angenehmer und sogar interessanter.” (Briefw. Heidegger/Jaspers, 54)

22. Pagina-verwijzing naar RR, 1983

23. Plato, Politeia 497d,9  laat Sokrates deze woorden uitspreken ta … megala panta episphale. Letterlijkbetekent episphalis: tot vallen geneigd.
Vertaling : Al het grote loopt ook gevaar, is tot verval geneigd. Over H.s omstreden omzetting o.a. : Martin, 2,9

24. Over deze aanwezigheid: Hermann Heidegger, Auch mein Vater hat Wiederstand geleistet in "Information Philosophie im Internet” #2, 1997

25. Herakleitos, Fragment 53 en 80.
Zie Diels,I, 88,94 en vooral Heideggers eigen verantwoording in RR, 28

26. Ermin Künzel (korte biografie in Schneeberger 32/33 en 100)

27. Künzel-tekst in Schneeberger, 56/57

28. Ott,149; Schneeberger,Nr. 45; Martin, 3,9

29. Das Rektorat 1933/34. Tatsachen und Gedanken, p. 21: …war selbst weder Mitglied derPartei, noch hatte ich mich in irgendeine Weise politisch betätigt. Deze verantwoording is 1945 geschreven.

30. RR, 18